NORMAAL

Op de Biestemerk mocht ik van mijn moeder een cassettebandje van Normaal kopen. Thuisgekomen bleek dat een rammelende coverband de nummers had ingespeeld. Heel teleurgesteld was ik niet eens. Ik speelde dat bandje vaak af, tot de tape als een sliert spaghetti in mijn Grundig verstrikt raakte.

Normaal sloeg in de jaren zeventig in deze contreien in als een bom. De taal van onze straten klonk ineens ook op de radio. Gezongen door een wildebras met een net wat andere tongval. “Ik bun moar een eenvoudige boerenlul en doar schaam ik mien niet veur.”

Als puber deed ik dat zelf wel. Als we op visite gingen bij mijn oom en tante in de Randstad probeerde ik zo westers mogelijk te spreken. Ooit wilde ik net zo overdreven Hollands praten als mijn tante. Je kon niet meer horen dat haar wieg aan de Nieuwe Sluis had gestaan. Van dat Calimero-complex had ik al lang geen last meer toen ik met wat kornuiten naar het Euifeest fietste. Normaal kwam langs. Een klasgenote van de christelijke Mavo begroette mij door een bekertje bier over mijn haardos uit te gieten.

Bennie wilde weten of er nog boeren in de zaal waren. Klompen beukten op de houten vloer. En dan moest ‘ik zeg oeh, ik zeg aah’ nog komen. Bertus en Tinus knalden voor de duizendste keer op een zatte kerel die de snelheid van een motor niet kent. We begroetten de tragedie met gejuich. En met opgestoken vingertjes naar de vrijwilligers achter de bar. Doe er nog maar vijf. Ik zocht in de menigte naar de klasgenote.

“Wi’j goan…”, drukten mijn kornuiten ontluikende romantische gevoelens de kop in. We stapten niet op een BSA of een Norton, maar op een paar oude Gazelles en afgeragde Sparta’s waarmee we over de Boerendiek naar Genemuiden slingerden. Gelukkig kwamen we geen zatte kerels tegen die de snelheid van een roestig stalen ros niet kennen.

GENASZ